Van de eerste Joodse inwoners tot de Franse tijd

De eerste joodse naam komen we in de Coevorder archieven tegen in een stuk gedateerd 17 november 1685. In dit stuk, is sprake van een Leviaser, Coopman tot Amsterdam. Er worden een aantal voorwaarden genoemd waaronder hij de, nog op te richten, bank van lening zal mogen pachten. Genoemde Leviaser krijgt drie maanden om te beslissen of hij met de voorwaarden akkoord gaat. Helaas heb ik nergens in de archieven kunnen ontdekken wat de reactie van Leviaser is geweest, maar aangezien zijn naam later niet meer wordt genoemd, moeten we wel aannemen dat hij niet op het aanbod is ingegaan.

Het tweede stuk met een joodse naam is nog raadselachtiger dan het eerste. Ook hier is sprake van een contract over het oprichten van een bank van lening. Ditmaal zijn het een aantal voorwaarden waaraan een zekere Levi Marcus zal moeten voldoen. De datering beperkt zich echter tot de jaartallen 1685 en 1697 (het laatste met potlood bijgeschreven!!), terwijl een ondertekening nu geheel ontbreekt. De veronderstelling is misschien gewettigd, dat we hier te maken hebben met een concept dat in 1685 gebruikt is voor het contract met Leviaser en dat in 1697 op naam van Levi Marcus is gezet. Deze Levi Marcus zou dan dezelfde moeten zijn als Levi Franco, waarover hierna meer.

Levi Marcus betekend waarschijnlijk Levi, zoon van Marcus. Het was bij de joden gebruikelijk dat de kinderen hun vaders voornaam als tweede voornaam kregen. Maar waarom de man dan later als Levi Franco te boek staat is niet duidelijk. Een andere theorie is dat Levi Marcus en Levi Franco twee broers zijn – beide zoon van Levi – en dat niet Marcus, zoals eerst de bedoeling was, maar Franco de bank van lening heeft gepacht. Het is in elk geval een feit, dat Levi Franco, al dan niet familie van Levi Marcus, in 1697 de bank van lening gaat pachten. Dit blijkt uit de fraai geschreven akte met de datering 7 maart 1697. In deze akte verklaren “Borgemeister en Rhadt der Stadt Coevorden” dat aan“den Juden Levi Franco, op sien behoorlijck begeeren”, evenals “sein Frouw, kinderen en familie”, toestemming wordt verleend zich te Coevorden te vestigen. Uiteraard onder een aantal “Conditien en Articulen”. In deze voorwaarden staat onder andere:

  • Dat zijn familie de bescherming van de stad zal genieten
  • Dat zij hun godsdienst in hun huis mogen beoefenen en dat zij een aparte begraafplaats zullen krijgen.
  • Dat hij aangesteld zal worden als houder van een bank van lening en dat hij zich in die functie aan een aantal met name genoemde bepalingen zal moeten houden. Hij mag b.v. “sestien pro Conto (16 %) van ieder pand nemen en telkens “ein stuiver Schriefgelt”.

Het is deze Levi Franco met deze bank van lening niet voor de wind gegaan. De bank wordt na enige jaren opgeheven en Levi Franco verdwijnt uit ons gezicht. In 1711 probeert ene Samuel Johannes Gelderman uit Zwolle het nog eens, maar ook dit loopt niet erg succesvol.

Zo nu en dan duiken er nu joodse namen op in de oude archieven. Zo is er in 1724 sprake van een te Coevorden wonende jood, die ter nynodale vergadering werd aangeklaagd wegens “profanatie van de dag des Heeren”. De Drost van Coevorden stelde een vervolging in tegen bedoelde jood, die aanstoot had verwekt onder de hervormden. Hij werd tot de boete veroordeeld. Wie deze jood geweest is, heb ik helaas niet kunnen achterhalen.

Gumpert David is een figuur die we ook al zeer vroeg in Coevorden tegenkomen. In 1731 wordt hij nl. voor een bedrag van 27 gulden en 10 stuivers aangesproken door Meydert ter poorten, voor door deze laatste geleverde gedistilleerde wateren. Terwijl een jaar later, in 1732, zijn vrouw het verzoek aan de “Vergadering van Burgemeesteren en Raadt van Coevorden” richt of haar ouders, Isak Meijer en Ragel Israëls, zich in deze stad mogen vestigen. Een verzoek waarop gunstig wordt gereageerd. Deze Gumpert David woonde trouwens al sinds 1727 in Coevorden, hetgeen blijkt uit een serie vraagartikelen d.d. 1 oktober 1777 waarin hij desgevraagd verklaart dat hij sinds vijftig jaren in Coevorden woont.

Dat men in deze jaren de joden bepaald niet als welkome gasten beschouwde blijkt overduidelijk uit een Publikatie van 22 april 1739. Hierin stond o.a. “dat voorts alle vreemde, passeerende, gaande, trekkende of aanloopende slijpers, Quacksalvers, Breukmeesters, Kramers van Kleynigheden, Hairkoopers, Handelaars in oude kleederen en andere diergelijcke, die binnen dese Provincie niet met de woon syn geseten, sullen gehouden worden te blijven op de gemeene of ’s Heeren wegen, sonder daervan te mogen afwijcken, nog sig ten platten lande te mogen ophouden of vernaghten, op wat praetext of voorwendsel het ook soude mogen wesen, maar verplight sijn haer in beslooten steden te begeven, op poene, dat die ter contrarie doende bevonden worden, voor de eerste maal sullen worden gestraft met een publicque geeselinghe en bannissement uit deze Provincie en voor de tweede maal met een swaardere straffe aan den lijve”. Ter verduidelijking: Met joden bedoelde men diegenen die al in ons land woonden en onder smoussen verstond men diegenen, die uit Duitsland ons land binnenkwamen.

In een publikatie van 31 juli 1765 verwijst men nog eens naar de publikatie van 22 april 1739, terwijl men bovendien bepaalt dat bij herbergiers verplicht zijn van alle passagiers een paspoort te eisen en zo deze niet vertoond kan worden daarvan onmiddellijk aangifte te doen bij de politie. Daarnaast was het sinds 1760 aan Coevorder joden verboden geloofsgenoten te herbergen, zonder toestemming van het Stedelijk Bestuur. Ondanks deze houding ten opzichte van de joden groeit de joodse gemeente in Coevorden gestaag. Dankzij een oproep aan alle te Coevorden wonende joden op 21 april 1760, om zich met hun verblijfsvergunning te melden bij de stedelijke magistraat, hebben we een mooi overzicht van de joodse gemeenschap in Coevorden op dat moment.

In “de acten van de Burgemeesteren van Coevorden, raekende de joden, welke hier te Coevorden wonen en wie geauthoriseert zijn van de Heer Drossaert en die miet geauthoriseert zijn” worden genoemd:

  • Gumpert David, deze verklaart sinds veertig jaren in Coevorden te wonen. Dit zou betekenen dat hij zich in 1720 in de stad heeft gevestigd en dit is duidelijk in tegenspraak met hetgeen hij in 1777 in de reeds gemelde vraagartikelen verklaarde. Iemand kennelijk die niet op een jaartje keek. Hij kon echter geen verblijfsvergunning tonen.
  • Jacob Berent. Hij verklaart al achttien jaar, dus sinds 1742, in Coevorden te wonen. Ook hij kan geen verblijfsvergunning tonen.
  • Simon Jacobs. Hij kan een vergunning d.d. 20 juni 1755 tonen.
  • Joseph Magiel. Woont twaalf jaar, dus sinds 1748, in Coevorden. Kan ook geen verblijfsvergunning tonen.
  • Berend Salomon. Hij is op 14 januari 1730 in Coevorden geboren. Zijn ouders waren Salomon Berend en Jüt Bendix.
  • Israël Salomon Joode, ook hij is geboren in Coevorden, wanneer is mij niet bekend.
  • Abram Isack, woont al zesentwintig jaar, dus sinds 1734 in Coevorden. Ook hij kan geen verblijfsvergunning tonen.

Op de 2e mei 1760 laat de Drost de joden dan aanzeggen, dat zij, die geen vergunning kunnen tonen, binnen drie maanden moeten vertrekken. Hij voegt er echter aan toe, dat zij die langer dan tien jaren in de stad hebben gewoond en van onberispelijk gedrag zijn, kunnen blijven, onder voorwaarde dat zij binnen acht dagen een vergunning zullen aanvragen. Niets aan de hand dus voor de zeven joodse families. Zes van hen, Simon Jacobs had al een vergunning, krijgen op 29 mei 1760 met hun huisgezinnen de vereiste vergunning.

In oktober van hetzelfde jaar krijgt Salomon Meier nog een verblijfsvergunning. Terwijl op 28 november 1761 Isak Moses en op 25 maart 1763 Levy Israël nog een verblijfsvergunning krijgen. We tellen dus in 1763 tien joodse gezinnen in Coevorden. De beide laatstgenoemde joden, Isak Moses en Levy Israël, waren zwagers. 
Zij waren beide getrouwd met een dochter van de vermogende Salomon Jacob van Raalte. Dat ook beide genoemde heren niet geheel onbemiddeld waren (dankzij hun schoonvader?) blijkt o.a. uit het feit dat Levy Israël in 1774 een hypotheek van 5000 gulden verstrekte aan de graaf en gravin van Rechteren en dat Isak Moses in 1765 de bank van lening pachtte, die hij tot 1781 behield.

Isak Moses heeft trouwens in 1764 het volle burgerrecht verkregen, hetgeen blijkt uit een akte waarin staat:
“Anno 1764 den 15 mei heeft Isak Moses, geboortig van Misfelt en zijn huisvrouw Hinderina Zalemons, geboortig van Raalte het borgerschap heeft gewonnen en den gewonen eed van getrouwigheid afgelegt en het recht daartoe staande betaalt een somma van twaalf silvere Ducatons" (ca. € 17). In 1765 wordt ook zijn zwager, Levie Israël, koopman en borger van Coevorden genoemd. Zij beiden waren de voornaamste joodse kooplieden van Coevorden. Beiden hadden zij een handel en een winkel in manufacturen. De kinderen van deze beide kooplieden nemen de naam Van Coevorden of Van Coeverden aan, een naam die we later veel in Coevorden aan zullen treffen.

Op 17 mei 1768 vragen de joodse inwoners van Coevorden toestemming om een daartoe aangekocht huis tot kerk te mogen inrichten en de hof daarachter tot begraafplaats. Het verzoek wordt ingewilligd op voorwaarde, dat aan niemand overlast zal worden aangedaan en er geen klachten zullen binnenkomen, daar anders de toestemming weer zal worden ingetrokken. Wel zullen zij vier zilveren Ducatons (ca. € 5,70) moeten betalen. Deze kerk heeft op de zelfde plaats gestaan als de huidige synagoge. Het is niet duidelijk of men direkt met de diensten in dit gebouw is begonnen, omdat men in 1775 nog bijeenkwam in het huis van Isak Moses. De joodse gemeente bestond intussen, blijkens een protocol uit 1771, uit 10 joodse gezinnen met in totaal 24 kinderen.

In 1770 vindt de magistraat van Coevorden het kennelijk weer tijd de joden de wacht aan te zeggen. Een reglement van 6 januari 1770 wijst er nog eens op dat het de plicht is van alle joodse inwoners om onmiddellijk aan de magistraat te melden als men joden van buiten de stad onderdak verschaft. Als straf “wordt besloten een boete te geven van twee olde schilden aan joden, die niet 24 uur na aankomst van een gast aangifte daarvan doen bij de politie en voor een herhaalde overtreding een dubbele boete”.
Het gevolg van dit reglement is dat Jacob Cohen, die al 17 jaar in Coevorden woont, alsnog een verblijfsvergunning aanvraagt. In 1760 was hij knecht bij Levy Israël en hij is sinds vier jaar getrouwd met Goetien Bendix, de weduwe van Jacob Berent, die in 1760 een verblijfsvergunning had gekregen. Een fraai staaltje van vooroordeel ten opzichte van de joden levert het conflict van Berend Salomon met de Burgemeesteren van Coevorden op. Deze Berend Salomon die in 1760 een verblijfsvergunning had gekregen heeft een paar jaar in Hoogeveen gewoond. Omdat zijn vrouw daar in de kraam is overleden wil hij zich in 1774 weer in Coevorden vestigen. 

De Burgemeesteren wijzen dit verzoek af en betogen:
“ ….. dat het getal der Jooden welke zich alhier, tot groot naardeel van de Negotie deses Stads Borgeren, en Ingesetenen quaame terneer te setten ….”
En even verder zelfs:
“……dat de gesaamenlijke Jooden niet alleen een aanmerkelijk getal Inwoonders deser Stad
zouden uytmaaken, maar ook de Negotie, benevens het welvaaren en bestaan van de Christenen daardoor worden geruïneert. Doordien het bekent is, dat geen Christen in staat is om tegens een Joode die Zine waare Selfs of door Knegts veeltijds op eene bedriegelijke wijse, langs het landt bij verruylingen tegens anderes goederen soekt, en van debiteren te konnen Negotieren”.

Een fraai staaltje van vooroordeel en dat van de Burgemeesteren! Hoe zal de gewone man dan over de joden gedacht hebben? De burgemeesters waren op hun manier toch wel van goede wil, getuige het slot van hun schrijven:
“Terwijle wij mede Zeer geerne om deese persoon in zijn voorgenomen huwelijk en terneerdersettinge met er woon elders zoo veel mogelijk behulpig te weesen met een altestatie (?) van zijn gedrag, zonder eenige Kosten, zouden wenschen te voorsien”.
Met het goedkeuren van het verzoek van Simon Jacobs Weisel om te mogen huwen met Rachel Simons, dochter van Simon Jacobs, en de toestemming aan het jonge paar zich in Coevorden te vestigen is in 1783 het aantal joodse gezinnen in Coevorden op 13 gekomen. Dit vindt een aantal mensen kennelijk teveel van het goede, want op 23 maart 1784 bereikt de landsdagvergadering het verzoek van de Magistraat en de gezamenlijke kooplieden, Burgers en Ingezetenen de publikatie van 20 november 1782 op Coevorden te mogen toepassen (bij gebrek aan eigen willekeur op de inwoning der joden). Helaas is niet bekend hoe de landsdagvergadering op dit verzoek heeft gereageerd.

Tot slot is er nog te melden dat de Joodse koopman Moses Joseph in 1787 in grote moeilijkheden verzeild raakt, doordat hij verzuimd heeft tijdig permissie aan te vragen voor zijn huwelijk. De magistraat spreekt van “hardnekkigheid, ongehoorzaamheid en stoutigheid jegens de magistraat”. Moses Joseph verdedigt zich door te stellen dat hij dacht dat hij zonder meer bij zijn oude moeder in mocht trekken en dat hij dus min of meer uit “onnoselheyt is getrouwt”. Gelukkig voor hem loopt het met een sisser af. Hij krijgt alsnog toestemming om in Coevorden te blijven wonen en moet als straf twee zilveren Ducatons offeren voor de armen der gereformeerde Diaconie.

We zijn dan nu aangeland bij de Franse Tijd. Een tijd die grote veranderingen van de houding ten opzichte van de joden zal brengen.