Molens in Coevorden, door Herman Brand

De windmolen in de voormalige dwenger (een ander woord voor bastion) Stad en Land, met de naam “de Meulenbelt” was een windmolen die al in 1609 werd gebouwd. De laatste molenaars waren Jan en Johan Belt. Ze torende zichtbaar boven de stad uit. Nadat nog in 1896 een herbouw plaats vond (er was ook nog een gevelsteen met het jaartal 1751), werd de molen na meer dan 300 jaar te hebben gemalen tijdens de tweede wereldoorlog afgebroken. In 1609 had de bouw in een grote behoefte voorzien. De oude windmolen buiten de Twentsepoort, zoals die voorkomt op de kaart van Van Deventer (1560) was gesneuveld bij de aanleg van de vesting 1605, evenals de watermolen vlakbij de plaats van het later Arsenaal.

Een tweede windmolen werd in 1649 op het Kasteel gebouwd, ongeveer op de plaats van het oude postkantoor. Ze werd in 1771 weer afgebroken. Als vanouds was er een gruttemolen in de Sallandestraat. Een rosmolen tegenover de keel van Overijssel werd omstreeks 1680 in bedrijf gesteld.

Aan de oostzijde van de Looweg, ca 100 meter voorbij de huidige spoorwegovergang, stond begin 19e. eeuw een windoliemolen, een achtkantige bovenkruier die omstreeks 1907 werd afgebroken. De nu nog bestaande molen, aan de Krimweg, is van latere datum( 1894). De z.g. molen van Olsman, die aan de Parallelweg stond (precies in het verlengde van de Friesestraat), dateerde van 1897 en werd in 1958 gesloopt.

Ontstaan van de windmolens in Stadt en Land

In 1609 konden de burgers van Coevorden niet meer beschikken over een wind- en een rosmolen. Dat was lastig en duur: ze moesten hun granen buiten de stad laten malen. Stadhouder graaf Willem Lodewijk heeft toen aan Krynne de Blaeu toegestaan en windmolen op te richten in het midden van één van de bolwerken van de nieuwe vesting. Zoals het hoorde vergunde Drenthe hem daarna het recht van de wind. In januari 1611 is er een brief van Christiaen Huygens (1551-1624) van de Raad van State aan de Landschap Drenthe, waaruit blijkt dat men in Assen rekent op enige recognite voor het verlenen van de gerechtigheid van de wind. Huygens schrijft dat het in elk geval niet veel kan zijn en wil De Blaeu wat dit betreft ongemoeid laten (Den Haag ligt dichter bij Coevorden dan bij Assen, zeker toen ook politiek gezien!). Twee maand later is er een resolutie van Drost en Gedeputeerden. De Blaeu is in Assen verschenen en zegt enige malen door de rentmeester van de domeinen te zijn benaderd om de Landschap wat te geven voor het zetten van de windmolen. De Blaeu kan uiteindelijk gewoon verder gaan met zijn molen!

De windmolen op het Kasteel

De strijd om de macht (en het geld) in het oude Coevorden komt goed tot uiting in wat er zich afspeelde rond de bouw van een tweede windmolen, op het Kasteel. Op 27 mei 1649 besluit de Drost Van den Boetselaer (binnen Rolde) op voorstel van kolonel Byma, commanderende tot Coevorden, wederom een nieuwe wintmeule te doen timmeren, in plaats van de vorige, die op het Bolwerck van het Ampshuis heeft gestaan en omgewaaid is. Deze oude molen was door de commandeur Blauw getimmerd (hij overleed in 1633). Byma wil dat de vrijheid van de wind hem vanwege de Landschap Drenthe mocht worden toegestaan. Dit gebeurt ook, maar er is wel een voorwaarde: dat dieselve op een ander bolwerck gestelt werden om het Ampshuis nijet te nae te comen. De molen mocht dus niet te dicht bij het Kasteel staan en kwam daarom op het zuidelijke bolwerkje terecht, ongeveer op de plaats van het huidige oude postkantoor.

In het najaar 1649 komt de commies, die immers bij het Arsenaal woont, maar 60 meter (met de gracht ertussen) van de te bouwen molen, in het geweer. Hij is bang voor gluurders! Daar Byma, zo zegt de commies Van ’t Hof op een punct vant Casteel recht tegenover het Magasyn off’t huis daer den Commijs in woont een nieuwe Wintmoole doet setten, en daerdoor het binnenpleijn tusschen het Magasyn ten eenen mael onvrij sal worden. In dit verband moet binnenpleijn worden vertaald als: open ruimte tussen het huis en de molen, een begrip dat stedebouwers na het uit de gunst raken van de ons bekende pleinen, opvallend genoeg thans weer hanteren. En wat wil de commies nu; de bouw van de molen aanvechten, dat heeft geen zin. Maar toch wil hij er beter van worden. Hij vraagt om zijn oude keukentje, gemaakt afdaeckend aan de gevel van de kelderkamer en dat nogal verwaarloosd is te mogen afbreken en een nieuw te bouwen dat vier voet in het vierkant groter is dan het oude. Daarin zouden kruiskozijnen geplaatst moeten worden, ter bevrijding van ’t insicht. Alles bij elkaar zou het f 700 gaan kosten. Eén en ander lijkt nogal gezocht, dat vindt men in Den Haag kennelijk ook want pas twee jaar later mag hij een kamer maken in plaats van de oude keuken.

In het voorjaar van 1650 blijkt dat er sterke oppositie tegen de molen is vanwege de erfgenamen van De Blaeu. De vraag is namelijk of het recht van de wind erfelijk is in familiaire zin, dan wel in functionele zin. Wie zijn nu deze erfgenamen? Krynns vrouw, Anna Hardenberg was op 13 april 1631 te Coevorden overleden, Krynn zelf overleed op 4 april 1633. Hun beide zonen, Willem en Gerrit moeten in 1630 of daarvóór zijn overleden: ze komen niet voor in het testament van dat jaar.

Erfgenamen zijn:

  • Swaentje van Olst, wed. van burgemeester Hardenberch.
  • Janneken de Blaeuw, weduwe van Regnerus Bogerman, predikant te Harlingen, broer van de bekende professor Johannes Bogerman, de felle contra-remonstrant die in 1618 voorzitter van de Dordse Synode was geworden. Als weduwe woonde Janneken in 1642 de St. Jansstraat, in een huis dat ze huurde van Harmen Schierbeek (K 470, thans no. 6 en 8). Eén en ander toont wel aan hoezeer de geschiedenis van Coevorden is verweven met de vaderlandse geschiedenis!
  • Anneken de Blaeu, wed. Wicher Annes Doting, eerst (in 1608 en 1609) bouwmeester van Leeuwarden, later de proviandmeester van het Proviandhuis op het Kasteel te Coevorden.

Deze erfgenamen wezen nog eens op een stukje geschiedenis, de noodzaak van een molen in 1609, hoe hun voorvader De Blaeu die had laten bouwen en daarmee het recht van de wind had verkregen. Hun boosheid wordt als volgt onder woorden gebracht: Commandeur Byma heeft hem onderstaen, sonder consent van UEM op het Casteel een nieuwe wintmolen te richten. Vreemd dat dit tevoren aan de commandeur van Renesse (1633-1638) was geweigerd, merken ze op. De erfgenamen vragen de Raad de molen te laten afbreken! Waarop de Raad besluit aan Byma te vragen wie hem toestemming heeft gegeven.

Kort daarop schrijft Byma als verweer naar Den Haag: dat vanouds op het Kasteel een windmolen heeft gestaan. De molen van 1609 aan De Blaeu gegund was extra. De molen op het Kasteel is in de winter 1649-50 omgewaaid, waardoor de Magistraat is genoodzaakt geweest twee rosmolens (door Byma) in werking te doen stellen, tot gerief van de burgers. Toen is de nieuwe molen op het Kasteel gekomen, die heeft nu al een half jaar gewerkt zonder dat de erfgenamen iets hebben gezegd. Byma verzoekt tenminste voorlopig de molen te mogen blijven gebruiken. De Raad vindt dit laatste goed. Toch krijgt hij daarna bevel de molen stil te zetten. Op 14 juni is er een resolutie van de Raad. De zaak moet aangehouden worden tot syne Hoocheit en de Heren gecommiteerden zijn gehoord. Tot zo lang moet de molen stil blijven staan. Maar op 18 juli is er een rekest van de erfgenamen van De Blaeu, waarin o.m. wordt verklapt dat Byma niettegenstaande orders van de Raad zijn molen op het Kasteel alle dagen laat malen. Afbreken, dat is het advies van de erfgenamen. Besluit: Byma moet orders nakomen. Op 6 augustus bewijst Byma by certificatie dat hy de molen op des raets last heeft laten stil staan en geruyme tyt sonder malen.

Op de zaterdag voor 1 september 1650 is aan de Prins van Oranje een rekest van Byma overhandigd, waarin o.m. het verhaal van de geschiedenis van de nieuwe molen. Byma vraagt die weer te mogen gebruiken. De Prins stemt toe! Prins Willen II overleed in november 1650, 24 jaar oud. Na een jachtpartij in Dieren te hebben bijgewoond stierf hij aan de pokken. Eén van de laatste besluiten van de jeugdige prins was dus over de molen op het Kasteel. In het voorjaar van 1701 vraagt capotein Barent Philips Albyn of hij een barak op het Kasteel naast de molen mag gebruiken, in het najaar van 1709 is er een rekest van de erfgenamen van kapitein Albyn dat de ene barak voor des mulders huisgezin te klein is, hoewel het een officierslogement is. De barak ernaast wil men erbij. De Raad zegt dat de gevraagde barak door een oude vrouw wordt bewoond die net en zindelijk is. Het verzoek wordt afgewezen.

Het einde van de molen op het Kasteel

In september 1771 vragen de molenaars bij monde van Jan Weggeman om de defectueuze molen op het Kasteel te mogen amouveren. De molen is vele jaren al niet meer gebruikt en was ook niet bruikbaar, zo wordt aangevoerd. De supplianten hebben naast de windmolen in Stad en Land ook nog de rosmolen in gebruik en die zijn beiden in goede staat. Meer molens zijn er echt niet nodig vanwege de bekende vermindering van het gemaal. De supplianten willen beloven in alle voorsiene of onvoorsiene gevallen de Burgerie en Militie voor den gewoonen prijs te bedienen of te gerijven. De gedeputeerden zeggen dat ze met één en ander wel accoord kunnen gaan. De molen verdwijnt dus voor goed.

De molen komt ook nog voor in het verslag dat Meijndert van der Thijnen maakte van de herovering van de stad in december 1672: Ick sag twee jongens (zynde tamboers van onse militie, en met ons over de grafte gekomen) met haer trommels op heren rugge, beneffens de kasteelsche molen staan en sagen het werk an. Ick roepende haar toe, of sy die Prinschen marsch wel konden slaan, sy antwoorden, ja; wacker dan, siede ik, sla dan beide gaar wacker op … dit beneden van den vyand gehoort wordende … waeren hierdoor zeer confuis geworden gelyk ik naderhand gehoort hebbe.

Rosmolen Sallandsestraat (het Gruttershuis)

Deze was gelegen achter het pand Sallandsestraat 15/17 (thans Bitter). In 1748 is de gruttemolen (de ruimte) 5 vak en breed 20 voet. Op de kadastrale minuut heeft de achter het huis liggende schuur (met rosmolen) afmetingen van ca. 10 x 10 meter. In 1659 is het huis ( 379) bekend als Bernhardus Rosmulders huis (een zes-gebints huis). In 1650 behoort het (met de rosmolen) aan De Heer Colonel en Gouverneur Byma. In 1666 wordt Vrouw Byma als eigenaar vermeld, bewoner is dan Jan Berends. Jan Berends was een zoon van de pachter van de boerderij de Kleine Schere, Berend Geertsen. Hij was in 1660 getrouwd, kreeg het burgerschap in 1662, was meensman, keurnoot en ouderling. Uit alles blijkt dat het beroep van mulder ook hem geen windeieren heeft gelegd.

In 1691 wordt vermeld: Jan Berens van de Scheer een gortemulder heeft twie peerden. In 1700 overleed hij en werd opgevolgd door zoon Berend. Deze huwde met Eva Queest, dochter van een aannemer die op stand in de Friesestraat woonde (thans no.13). Berend en Eva ging het goed in materiëel opzicht, hun zoon Jacobus ging zelfs in Groningen studeren en werd predikant te Sleen en Roden. In 1711 woont Berend in de Friesestraat (K 532, thans no.6, Chin. Restaurant). Later woonde daar diens zoon Jan, eveneens gruttemulder, er en in 1770 de juffers Van der Scheer, die o.m. een yserstarke koffer in de winkel hadden. Jan trouwde in 1740 met Geertruid Oldenhof, weduwe van Anthony Outgers, die al een zoon had: Jacobus Outgers kwam ook uit een molenaarsgeslacht en bezet een behoorlijk vermogen.

In 1713 klagen burgemeesters en raad der stad bij de Heren. De burgers zeggen dat ene Cock, gruttemulder ondeugendt en onbruyckbaer meel maakt, terwijl het nog meer kost dan in Dalen en elders. Vorige gruttemulders leverden meer uit. Daar komt nog bij dat het de burgers onlangs verboden is boekweit in Dalen te laten grutten of van Groningen of Zwolle te laten brengen. Binnenkomende wagens worden aangehouden, meel geweigerd, ook wel prijs verklaert. Al met al betekent dit grote schade voor de burgers. Eén gruttemulder is niet in staat de burgers en militie na behoren te bedienen. Verzoek van de Magistraat: laat de burgers vrij in het kiezen van de plaats waar men zijn boekweit wil laten grutten. De gedeputeerden daarop besluiten echter alleen dat de prijs in Coevorden even hoog moet zijn als elders. De commandeur moet op naleving toezien.

In 1729 vinden we Roelof Coops bij de gruttemolen wonen, in 1743 de grutters weduwe en in 1743 de wed. van Jacobus Smit, onder vermelding: Gruttershuis (eigen huis). In 1754 en 1760 is het Harmen Elvinge die er woont, in 1770: Jan Weggemans. In 1785, 1805 en 1811 woont Willem Weggeman(s) er en heeft twee paarden. De bewoner in 1825 (op huisno. 113): Harm Weggeman, die in 1826 ook als eigenaar en als grutter wordt vermeld (K379).

De strijd om de molens

In voorjaar 1690 is er een rekest van Jacob Schilt. Hij wordt in 1680 al burger en brouwer genoemd en trad ook op als aannemer. Hij woonde in de Friesestraat (K 533/534, thans no. 6/8) en werd tevens burgemeester. Schilt heeft een gruttemolen gebouwd, maar heeft nu een ernstige klacht. In zijn huis is de molen gereed, de molen waarmee hij voor zijn gezin de kost moet verdienen, maar die ook in het belang van de stad is, vindt hij.De inbedrijfstelling heeft Vrouw Byma echter tot nu toe weten te verhinderen, wijzende op haar rechten en benadrukkend zij dat ze met haar grutte- en rosmolen de burgers en ingezetenen met gebroocken graenen genoechsaem kan onderhouden. Ook ten tijde toen er 22 à 23 compagnieën in de stad lagen waren er geen problemen met het malen geweest, zo voert vrouw Byma onder meer aan.

Schilt, die reeds in 1685 zich tot Burgemeester en Gezworen Gemeente had gewend over dit onderwerp, zegt dat er verklaringen zijn dat men bij stil weer de granen buiten de stad heeft moeten laten malen en de grutte van buiten doen inkomen. Verder is het bouwen vaneen gruttemolen niet strijdig met eerdere besluiten. Ten tijde van commandeur Byma earen er bijvoorbeeld ook nog twee gruttemolens, die echter door versterf zijn verdwenen. Verder is het in de steden Groningen, Leeuwarden en Sneek wel toegestaan. Ook in Dalen is er een gruttemolen. De molenaar daar komt nering in Coevorden doen. Maar by quaede wegen kan geen grutte de stad in gebracht worden.

Vrouw Byma zegt verder dat ze voor 30 jaar twee mindmolens en een gruttemolen had en nog voor 10 jaar daarboven een rosmolen heeft laten inrichten, ten dienste van de stad. Ze vindt dat Schilt daarom geen molen mag exploiteren, zoals ook al door de Raad is besloten in 1689, toen hem werd aangezegd de bouw tot nader bericht te stoppen. De gedeputeerden vinden echter uiteindelijk dat Schilt zijn brood moet verdienen en Mevrouw Byma heeft geen expresse privilege. Het gruttemalen wordt bovendien in alle kwartieren onverhinderd toegelaten. Jaren later, in het voorjaar van 1697, zegt Schilt nog eens weer dat hij een gruttemolen wil zetten. Het is toch, zo roept hij, een vrij land en er is geen wet tegen. Kennelijk waren er buiten het juridische toch bedenkelijke machtsfactoren die het zetten tegenhielden. Verder kom ik niets meer tegen over deze molen.

Privilege of niet de nakomelingen van Byma bleven nog lang de eigenaars van de molens. Bij de visitatie van 1775 is er een rekest van H. Hubert en Willem Weggeman (zoon van Jan Weggeman en Swaantien Alby, die in 1740 waren getrouwd). Beiden zijn afstammelingen van Rolina Gruijs, de weduwe van de Bijma. Zij zeggen het exclusieve recht te hebben op de twee korenwindmolens met een ros- of gruttemolen. Anderen, zoals de Magistraat en bepaalde kooplieden vechten dit recht aan: iedereen mag vrij boekweite of gruttemeel inbrengen zeggen zij. Hubert en Weggeman zijn kort daarvoor door wederaankoop ook eigenaar en gebruiker van gort- en gruttemolen in de Sallandsestraat geworden.

De rosmolen aan de keel van Overijssel

Op deze plaats was in het begin van de 17de eeuw een ruiterstal (peerdestal, peerdeschure, ruiter-corps de garde). Deze diende ook een tijdlang, vanwege de bouwvalligheid van de oude kerk, als plaats waar de kerkdiensten werden gehouden. Daar was eigenlijk te klein voor: in 1630 wordt gezegd dat het is gebeurd dat er 200 mensen niet terecht konden. De nieuwe kerk, zoals die er nog staat, was pas in 1645 klaar. In juni 1658 vraagt de commies Van ’t Hoff om de peerdestal te mogen gebruiken, alsdaer voor desen de Godesdienst plach gedaen te worden, nu ledich. De commies wil er turf in leggen. Dit word toegestaan. In het najaar 1648 stelt Byma eerst voor de paardestal te verkopen, volgend voorjaar koopt hij hem zelf voor f 1000,00. in 1666, zo blijkt uit de collectelijst voor een nieuw orgel verhuurt Mevrouw Byma er kamers (de lijst volgt vrij aardig de huizen op rij). Het is op deze plaats dat in 1680 een rosmolen wordt gebouwd. In dat jaar koopt Vrouw Byma de oude rosmolen van het Kasteel voor 50 zilveren ducatons (ongeveer f 150). De reden voor verkoop is dat deze molen alleen met behoorlijke kosten weer gangbaar kan worden gemaakt. Ze mag niet buiten de stad gebracht worden. Een jaar later heeft ze nog niet betaald. De gedeputeerden van de Raad van State onderhouden haar hierover. Ze voert aan dat twee zoons van haar zijn overleden en dat ze een grote schuur heeft gebouwd waar de rosmolen in zal komen te staan. Ze heeft op dat ogenblik weinig geld, vraagt dus uitstel, wat men goed vindt.In juli 1748 is de Mulders Rosmole drie vak en breed 27 voet. Zie voor situering de kadastrale kaart in Het Proviandhuis-beneden (K 425, 426 en 427).In 1826 behoort de molen met de twee woningen toe aan Klaas van Tarel.

Molens in de omgeving

Het recht van de wind was een uitstekende bron van inkomsten, die dan ook door belanghebbenden zorgvuldig werd beschermd. Huwelijken werden bij voorkeur binnen de molenaarskringen gesloten, geld trouwde met geld … Dalen met Gramsbergen, Gramsbergen met Ommen en Hardenberg. Mogelijkheden tot concurrentie, voor de burgers een goede zaak, werden van hogerhand meestel snel de kop ingedrukt. Ons kent ons …

In 1767 lieten ingezetenen van Het Laar hun koren in Coevorden malen. Door de rechter van Emmelkamp (waarom zeggen zovelen toch Emlichheim als er een historisch verantwoorde naam is?) werden ze gestraft. In de Graafschap gold de molendwang: men moest op de molen in het kerspel laten malen, dan wel op een dichtstbijzijnde andere molen. De inwoners gingen in beroep in Bentheim: ze zeggen dat ze van oudsher de vrijheid hebben gehad zelf een molen te kiezen. Naar Emmelkamp is twee uur gaans (de meeste van de twaalf families die erbij waren betrokken hadden geen paard en wagen, het koren moest dan op het hoofd worden gedragen), terwijl de Vecht bij hoog water niet te passeren was.

Coevorden was maar een kwartier gaans en daar moesten ze toch ook al hun gerst laten pellen. Of de twaalf hun boete terug hebben gekregen is mij niet bekend. Toen er eenmaal weer een molen kwam in Het Laar (in 1807), werd deze voor 280 hollandse rijksdaalders per jaar verpacht. Een jaar later bood iemand 320 rijksdaalders: hij zei dat hij een deskundige compagnon had: molenaar Weggeman uit Coevorden!

Bomen op de wallen

De molens, hoog op de bastions, vingen veel wind, maar dat doen hoge bomen ook, i.c. de bomen die op de wallen stonden, tot nadeel van de molens. In najaar 1693 klagen de erfgenamen van mevrouw Byma als eigenaar van de beide windmolens dat de eike- en andere bomen op de wallen in de buurt van de molens seer bedurven waren door het snoeien. Hiertoe hadden de vorige bezoekende Heren in voorjaar, ook op verzoek van mevrouw opdracht gegeven met het goede doel dat de molens meer in de wind te zetten. Alleen snoeien mocht, niet kappen. Nu vraagt ze beslist niet meer te snoeien (liever weg natuurlijk!). In voorjaar 1697 klaagt men dat door de bomen op de stads- en kasteelswallen de beyde koren-wintmolens meestal stil staan. Men vraagt die te kappen, zoals altijd al toegezegd is, temeer omdat er graan naar buiten de stad gebracht wordt. In het najaar van 1698 klagen de erfgenamen Byma over het hoog opwassen van de bomen in het Bolwerk Stad en Land, waardoor de molen soms stille moet staan. Er zijn klachten van bakkers en brouwers. Kappen die handel, is het verzoek.

In najaar 1700 wordt gezegd dat de mulders van Dalen zelfs de granen kwamen afhalen en het meel terugbrachten. De klachten leveren toch op dat in 1701 op het Kasteel maar liefst 143 eikebomen worden gekapt! In augustus 1737 zegt Hans Jacob Werndly possesseur van de koornwintmoolen in Stad en Land te zijn en heeft weer dezelfde klachten. Hij mag laten snoeien, Drie jaar later blijkt dat de bomen van Stad en Land te swaar gehouwen zijn en daardoor reeds verstorven. Werndly mag dan gaan rooien. Hij moet jonge iepen planten. In juli 1747 is het molenaar Jan Weggemans die klaagt over de sware belommering der boomen op de hoge wal, rontomme het Casteel en Magasynshuys. Er is geen wind genoeg, Weggemans wil tot op sekere hoogte kappen, wat wordt toegestaan. In 1783 vragen Weggemans en Outgers bomen te vellen op de courtine bij de Friesepoort en in het bastion Stad en Land. Daarvoor wil men linden in de plaats, die kunnen namelijk kort gehouden worden.