De geschiedenis van Oosterhesselen

Oosterhesselen was tot 1 januari 1998 de hoofdplaats van de gelijknamige zelfstandige gemeente, die bestond uit de dorpen Gees, Oosterhesselen, Zwinderen, Geesbrug en het grootste deel van Nieuwlande.

Gemeentewapen Oosterhesselen

Het gemeentewapen van de voormalige gemeente is opgebouwd uit de volgende elementen:

  • het kruis van het Sticht Utrecht. Dit symboliseert het feit dat Oosterhesselen een der eerste steunpunten was van het Christendom in Drenthe;
  • het wapen van de familie Clenke, stichters van de heerlijkheid De Klenke. De kleuren van het oorspronkelijke wapen waren niet meer bekend, en de kleuren zijn dus willekeurig gekozen;
  • de drie ramskoppen symboliseren het agrarische karakter van de gemeente, met name de schapenhouderij. Voor de drie dorpen, Oosterhesselen, Gees en Zwinderen ieder een kop;
  • de schildhouders duiden op de prehistorische bewoning in de gemeente.
Beschrijving

"Doorsneden : I gedeeld a in keel een kruis van zilver, b in goud een adelaar van keel, II in azuur 3 aanziende ramskoppen van goud, 2 en 1. Het schild gedekt met eene gouden kroon van 3 bladeren en 2 paarlen en gehouden door 2 wilden, omkranst en omgord met loof en in de vrije hand eene knots over den schouder houdende, alles van natuurlijke kleur."

Uit voorhistorische vondsten in Gees en in Oosterhesselen blijkt dat voor onze jaartelling al gedeelten van het zandgebied werden bewerkt, al was het heel primitief. De oudste gevonden resten van bewoning zijn van meer dan 10.000 jaar geleden.

Het eerste geschreven document waarin Oosterhesselen (als Oesterhelsel) en Gees worden vermeldt, dateert uit 1207. Zwinderen wordt in 1217 voor het eerst in een document genoemd. Ook de havezathe 'De Klencke' is van zeer oude datum, hoewel het tegenwoordige gebouw pas uit de achttiende eeuw dateert. In 1219 wordt de havezathe bewoond door Hermanus Clincke. 

De kerk van Oosterhesselen stamt uit de veertiende eeuw. De kerk en de uit de Middeleeuwen overgebleven monumentale toren zijn nu gescheiden. Het lijkt er op dat zij in het begin aan elkaar verbonden waren.

De dorpen in het veengebied zijn - zoals boven vermeld - van veel jongere datum. Tussen 1850 en 1860 werd de Hoogeveensche Vaart in de richting van Emmen doorgetrokken. Hiermee was de vervening begonnen. Tal van zijkanalen en wegen zijn gegraven. Aan deze wijken en kanalen vestigden zich veenarbeiders en kleine landbouwers. Uit deze vestigingen onstond van west naar oost een aantal verwante nederzettingen.