Wat zich afspeelde rond het onderduiken van burgemeester Kleijn (april 1944-mei 1945)

In het voorjaar van 1944 kreeg de burgemeester van Zweeloo van Duitse zijde bericht dat hij drie mensen moest aanwijzen uit zijn gemeente als werkkracht voor aanleg en reparatie van het vliegveld Havelte, werkzaamheden van militaire aard.

Burgemeester Kleijn had zich altijd voor ogen gesteld dat hij zo'n aanwijzing zou weigeren uit te voeren, wat neerkwam op onderduiken ter voorkoming van arrestatie.

De ambtenaar Rijmsma wist dit en vertelde aan een groepje "goede" jongemannen, die in café Been een biertje zaten te drinken, hoe het erbij stond. Op staande voet werd hier besloten: "We willen de burgemeester niet kwijt, dan komt er een N.S.B.er en dat is slecht voor het dorp. Dat regelen we wel onder elkaar".


Gemeentehuis Zweeloo ca. 1935 bron: Historische Vereniging Zweeloo

De burgemeester hoefde dan niemand aan te wijzen en er was geen reden om weg te gaan. De volgende dag sprak de burgemeester met de "jongens" over dit besluit. Hij hield hen voor dat werken voor de vijand verkeerd was en bovendien dat hun plan zeker spaak zou lopen. Maar de jongens hielden voet bij stuk, ze maakten een roostertje en deelden de dagen in. Aangezien het besluit was gevallen in het café, een openbare gelegenheid dus, waar muren oren hebben, ging na overleg met Rijmsma de burgemeester logeren bij een dokter in Harderwijk, die over een telefoon beschikte, zodat hij zich op de hoogte kon houden wat er in Zweeloo voorviel. Een dag of veertien later hoorde hij van Rijmsma dat er moeilijkheden waren. In plaats van drie, moesten er aanmerkelijk meer werkers naar Havelte en dat konden de jongens niet meer voor elkaar krijgen. De burgemeester sprak af dat hij de volgende middag op de secretarie zou komen om de zaak definitief te regelen.

Aangezien het voor hem nu wel vast stond wat de consequenties waren, fietste hij s'morgens eerst van Harderwijk naar Apeldoorn, waar toen het Ministerie van Binnenlandse Zaken gevestigd was en bood daar zijn ontslag aan aan secretaris- generaal Frederiks, die het direkt aanvaardde. Vervolgens reed hij via Oosterhesselen naar Zweeloo. Even voor Aalden, tussen het oude woonwagenkampje en de molen, fietste hem de in Aalden wonende boer Pauw tegemoet, die een teken maakte om te keren. Hij zei: "Ga niet naar het gemeentehuis, daar zitten een paar Duitsers die naar u en Oosting hebben gevraagd, kennelijk met niet al te goede bedoelingen". De burgemeester reed toen terug naar Oosterhesselen, waar hij aanging bij burgemeester de Kock. 's Avonds ging de Oosterhesselse veldwachter naar Zweeloo op verkenning uit, wat zich daar had afgespeeld, en hoorde daar het verhaal over Oosting. Dit betekende: zo snel mogelijk weg uit deze buurt. Een bijzondere complicatie was dat Oosting bij zijn arrestatie een vals persoonsbewijs voor burgemeester Kleijn in zijn zak had, wel met een valse naam, maar met diens portret.

Burgemeester Kleijn dook onder bij een oom in Epe, waar zijn vrouw toen net de Pinksterdagen doorbracht. Alleen Lucas Warmolts, wiens zoon Hendrik toen postkantoorhouder in Zweeloo was, kende de verblijfplaats. Niettegenstaande dat kwam er binnen veertien dagen bericht uit het huis van bewaring in Assen, van oud-collega Roukema die daar gevangen zat:"Hou je gedekt, ze zoeken je". Via de gemeentesecretaris van Epe werd het persoonsbewijs op passende wijze bijgewerkt, terwijl de Eper illegaliteit zorgde voor de nodige distributiestamkaarten en verdere distributiebescheiden.

 

September 1994

G. Kinkhorst-Zwols te Utrecht